Advocaat Ran Vossen + 32 3 877 89 75
  advocaat wetgeving rechtspraak
co-ouderschap
Hoofdmenu
Welkom
Ran Vossen
Praktijkgebieden
Contact
Tarieven
Randi Vossen
  echtscheiding
verblijfsregeling kinderen
 
Designed by WebMamba
Welkom
Wet op het Co-ouderschap - 18.7.2006 PDF Afdrukken E-mail

Het co-ouderschap na echtscheiding bestond al sedert 1995.

De nieuwe wet van 2006 werkt vooral de verblijfsregeling van de kinderen verder uit.

1.    Met betrekking tot de uitoefening van het ouderlijk gezag bepaalde de wet op het co-ouderschap van 1995  al - en dat blijft zo - dat beide ouders na echtscheiding gezamenlijk het ouderlijk gezag blijven uitoefenen.
De termen hoede- en bezoekrecht komen sedert 1995 niet meer voor in het wetboek.
Indien er goede redenen voor bestaan, kan de rechter van deze regel afwijken en aan één van beide ouders exclusief ouderlijk gezag toekennen.

2.    Wat de verblijfsregeling van de kinderen betreft, is het sedert de wet van 18 juli 2006 zo, dat de rechter, op vraag van één van beide ouders, bij voorkeur de mogelijkheid onderzoekt om de huisvesting van het kind op een gelijkmatige manier tussen beide ouders te verdelen.

Op die manier heeft de wetgever een einde willen stellen aan de vroegere rechtspraktijk waarbij bijna quasi automatisch een hoederecht werd toegekend aan de ene ouder met een beperkt bezoekrecht voor de andere ouder.

‘De gelijkmatig verdeelde huisvesting’ betekent niet noodzakelijkerwijze een week-om-weekregeling.
De bedoeling is dat de kinderen evenveel tijd bij hun moeder, als bij hun vader doorbrengen.
Een gelijk verblijf kan ook bestaan in een verblijf waarbij het kind tijdens de schoolweken hoofdzakelijk verblijft bij de ene ouder en tijdens de vakantieperiodes en de weekends bij de andere ouder.

Deze regeling is enkel van toepassing op de ouders die geen akkoord hebben bereikt omtrent het verblijf van de kinderen.
Wanneer de ouders het onderling eens zijn dat de kinderen hun hoofdverblijf bij één ouder hebben, kunnen zij dat nog steeds zo in hun echtscheidingsvonnis laten acteren.

Indien de gescheiden ouders het echter niet eens worden, zal de rechter dus de voorkeur geven aan een ‘gelijkmatig verdeelde huisvesting’ van het kind. De andere ouder zal moeten argumenteren waarom hij /zij van oordeel is dat een dergelijke regeling niet is aangewezen .

De rechter dient nu prioritair de mogelijkheid van een gelijk verblijf bij beide ouders te onderzoeken. Dit betekent echter niet dat de rechter verplicht is deze regeling op te leggen.

De rechter dient alleszins, welke beslissing hij ook neemt, deze grondig te motiveren en bij het nemen van een beslissing in eerste instantie rekening te houden met de belangen van het kind.

Bij het nemen van een beslissing zal de rechter ondermeer rekening houden met:

  • de leeftijd van het kind
  • afstand tussen de woonplaatsen van beide ouders
  • beschikbaarheid van de ouders
  • de wensen van het kind (de rechter heeft de verplichting kinderen ouder dan 12 jaar te horen)
  • de verstandhouding tussen beide ouders: indien de ouders zich in een conflictsituatie blijven bevinden, die een weerslag heeft op de ouder-kind relatie, is de rechter eerder geneigd af te wijken van een gelijke verblijfregeling.


3.    De rechter krijgt verder ook de taak de scheidende partijen in te lichten over de voordelen van bemiddeling in familiezaken. Hij kan de procedure voor een maximum periode van 1 maand schorsen om een eventueel akkoord de kans te geven. De rechter kan de bemiddeling echter niet verplicht opleggen.

4.    Indien de verblijfsregeling door één van de ouders wordt miskend, kan de andere ouder, door middel van een verzoekschrift, terug naar de rechter stappen. Op die manier worden nieuwe dagvaardingskosten vermeden.
De rechter kan dan in een nieuw vonnis beslissen tot een andere verblijfsregeling.

Ook kan hij een beroep doen op dwangmaatregelen, zoals het opleggen van dwangsommen in geval een ouder weigert de opgelegde verblijfsregeling te respecteren.

 
< Vorige
Project realisatie CuReMa - Webdesign door WebMamba.