Het ouderlijk gezag en de verblijfsregeling voor de kinderen 

Hoewel de verblijfsregeling voor de kinderen op het eerste zicht een eenvoudige juridische aangelegenheid lijkt, is het ook in deze materie van belang om op de hoogte te zijn van de recente juridische ontwikkelingen.

 

De regeling omtrent de kinderen en de verdeling van hun tijd bij beide ouders is vaak een zeer emotionele aangelegenheid voor beide partijen. 

De ouders zijn dan ook het meest gediend met objectieve juridische bijstand, die tegelijkertijd rekening houdt met hun bekommernissen.

 

In de regel blijven de ouders, nadat zij afzonderlijk wonen, samen het ouderlijk gezag uitoefenen. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden wordt het ouderlijk gezag exclusief aan één ouder toegekend.

Dat wil zeggen dat alle belangrijke beslissingen in verband met de kinderen, zoals onder meer de schoolkeuze, dus ook na de scheiding van de ouders in gezamenlijk overleg zullen moeten worden genomen.

 

Voor wat betreft het verblijf van de kinderen, voorziet de wet dat de rechter, op vraag van één van beide ouders, bij voorkeur de mogelijkheid onderzoekt om de huisvesting van het kind op een gelijkmatige manier tussen beide ouders te verdelen. Dit wordt verblijfsco-ouderschap genoemd.

 

Op die manier heeft de wetgever een einde willen stellen aan de vroegere rechtspraktijk waarbij bijna quasi automatisch een hoederecht werd toegekend aan de ene ouder met een beperkt bezoekrecht voor de andere ouder.

 

‘De gelijkmatig verdeelde huisvesting’ betekent niet noodzakelijkerwijze een week-om-weekregeling. De bedoeling is dat de kinderen evenveel tijd bij hun moeder, als bij hun vader doorbrengen. Een gelijk verblijf kan ook bestaan in een verblijf waarbij het kind tijdens de schoolweken hoofdzakelijk verblijft bij de ene ouder en tijdens de vakantieperiodes en de weekends bij de andere ouder.

 

Deze regeling is enkel van toepassing op de ouders die geen akkoord hebben bereikt omtrent het verblijf van de kinderen. Wanneer de ouders het onderling eens zijn dat de kinderen hun hoofdverblijf bij één ouder hebben, kunnen zij dat nog steeds zo in hun echtscheidingsvonnis of overeenkomst laten acteren.

 

Indien de gescheiden ouders het echter niet eens worden, zal de rechter dus de voorkeur geven aan een ‘gelijkmatig verdeelde huisvesting’ van het kind. De andere ouder zal moeten argumenteren waarom hij /zij van oordeel is dat een dergelijke regeling niet is aangewezen .

 

De rechter dient nu prioritair de mogelijkheid van een gelijk verblijf bij beide ouders te onderzoeken. Dit betekent echter niet dat de rechter verplicht is deze regeling op te leggen.

 

De rechter dient alleszins, welke beslissing hij ook neemt, deze grondig te motiveren en bij het nemen van een beslissing in eerste instantie rekening te houden met de belangen van het kind.

 

Bij het nemen van een beslissing zal de rechter ondermeer rekening houden met:

  • de leeftijd van het kind

  • afstand tussen de woonplaatsen van beide ouders

  • beschikbaarheid van de ouders

  • de wensen van het kind (de rechter heeft de verplichting kinderen ouder dan 12 jaar te horen)

  • de verstandhouding tussen beide ouders: indien de ouders zich in een conflictsituatie blijven bevinden, die een weerslag heeft op de ouder-kind relatie, is de rechter eerder geneigd af te wijken van een gelijke verblijfregeling.

 

Indien het evenwel niet in het belang is van het kind om een gelijk verdeeld verblijf bij beide ouders te voorzien, zal de rechter in een andere verblijfsregeling voorzien.

De motieven op basis waarvan een verblijfsco-ouderschap gevraagd door één partij wordt geweigerd, zijn onder andere de jonge leeftijd van het kind, het gebrek aan goede verstandhouding tussen de ouders, waarbij een minimale verstandhouding tussen de partijen wordt verondersteld.

 

Een algemene regel is dat de rechter een verblijfsregeling steeds zal beoordelen in functie van de belangen van het kind.

 

Vanaf de leeftijd van 12 jaar dient de rechter het kind verplicht te horen.

 

 

Lees hier de wet van 18 juli 2006 tot het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind.